Stank

Laatst was ik in Den Haag. Er hing een vreemde lucht. Onaangenaam. Ik vroeg enkele voorbijgangers wat het was. Maar zij draaiden zich snel om en verdwenen. Het leek wel een taboe. Uiteindelijk vond ik iemand die, schichtig om zich heenkijkend, vertelde. “Het is een mengsel van angstzweet en ontlasting. Mensen doen het in hun broek.” werd mij zachtjes toevertrouwd. “Waarom dan?” was mijn vraag. “Om hem.” fluisterde mijn gesprekspartner en was verdwenen voor ik meer kon vragen. Terwijl de stank minder werd keek ik in de richting die mijn gesprekspartner had aangeduid. Ik zag een groot aantal mannen van breed postuur. Zij zaten net iets te strak in het pak en hadden oordopjes in. Waakzaam keken zij in het rond. Plotseling zag ik in hun midden een witte haardos. Even viel er een opening in de levende muur van brede mannen. Ik zag camera’s gericht op de witte haardos en een grote groep mannetjes en vrouwtjes die allemaal een microfoon voor de witte haardos hielden. Toen sloot de muur zich weer. Terwijl de groep brede mannen met de witte haardos weer op wat grotere afstand raakte, nam de stank weer toe.

Die avond vond ik iemand die wat meer wilde vertellen. Achterin een donker hoekje van een kroeg. “Maar geen namen hoor! Dat is te link.” werd mij aan het begin van ons gesprek toegefluisterd. Heel zachtjes, nauwelijks hoorbaar kwam het verhaal.

“Er is een man, hij heet De Kater, welke voortdurend onderzoek doet naar wat mensen zouden stemmen. Volgens De Kater krijgt die man met de witte haardos steeds meer stemmen. Het is een kwaadaardige man die steeds anderen de schuld geeft van dingen waar zij nooit iets mee te maken hadden. Hij zegt dat hun religie maakt dat het misdadigers zijn. Veel mensen geloven deze leugens. Een deel van zijn aanhangers intimideert mensen die het niet met de witte haardos eens zijn of die die religie hebben.”

Het leek wel of de stank sterker werd. Mijn gesprekspartner keek schichtig de kroeg rond of niemand op ons lette en nam een slok van zijn borrel. Daarna vertelde hij verder.

“De meeste andere politici verafschuwen de witte haardos, maar zij zijn bang dat wanneer zij daar openlijk voor uitkomen, dat zij dan nog minder stemmen krijgen en de witte haardos er meer krijgt. Daarom willen zij hem paaien in de hoop dat de witte haardos dan net zo wordt als zij. Sommigen proberen dat door aan hem toe te geven. Eén van de anderen heeft een brief geschreven waarin hij iedereen vraagt om niet kwaadaardig te zijn en heeft aan alle anderen, ook de witte haardos gevraagd die brief te tekenen. De witte haardos heeft dat gedaan en alle anderen doen nu net of zij blij zijn dat de witte haardos die brief heeft ondertekend. Zij zijn zo bang voor de witte haardos dat zij doen of zij niet hebben gezien dat hij direct zijn kont met die brief heeft afgeveegd.

De stank was verder toegenomen, daar was ik nu zeker van. Mijn gesprekspartner zuchtte, keek nog eens of we niet opgemerkt werden en nam nog een slok. Het leek hem wat moed te geven en hij vervolgde zijn verhaal.

“De meeste journalisten denken alleen aan hun eigen populariteit. Omdat de witte haardos bij veel mensen populair is mompelen zij soms voor de goede sier dat zij het niet met zijn ideeën eens zijn. Maar meestal maken zij hun berichten zo dat het lijkt of de witte haardos vaak gelijk heeft. Zij zijn bang dat wanneer zij teveel laten zien hoe fout de ideeën van de witte haardos zijn, dat de witte haardos hen voor subjectief uitmaakt. Daarom geven zij zoveel mogelijk aandacht aan de witte haardos. Enfin, je hebt zelf die mannetjes en vrouwtjes met hun microfoons gezien.”

Mijn gesprekspartner sloeg het restant van zijn borrel achterover en besloot met de oorzaak van de inmiddels verder toegenomen stank.

“Zij zijn allemaal zo bang voor de witte haardos dat zij er voortdurend van zweten en hun poep niet kunnen ophouden. Dat is wat je ruikt.”

Ik wilde nog vragen of dan niemand had bedacht dat zij juist moesten laten zien hoe kwaadaardig de witte haardos is, maar hoorde alleen een binnensmonds “Sorry, ik heb al teveel gezegd” en hij was verdwenen.

Inmiddels was de stank niet meer te harden. Ik besloot te vluchten.